- Details
- Categorie: Rechtspraak
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 5
Inwilligingsplicht bij verstek en rechterlijke controle op afrekeningen bij consumentenkrediet
Wanneer een consumentenkrediet wordt beëindigd omdat de consument niet meer betaalt, kan de kredietgever niet zomaar om het even welke afrekening voorleggen en betaling vragen van het volledige door hem berekende bedrag. Ook wanneer de consument niet verschijnt op de zitting en er dus een verstekvonnis wordt gevraagd, behoudt de rechter een eigen controletaak.
Die controletaak is bijzonder belangrijk bij consumentenkrediet. Het gaat immers om regels die de consument beschermen en die niet volledig afhankelijk zijn van het verweer dat de consument zelf voert. De rechter mag, en in bepaalde gevallen moet, nagaan of de afrekening van de kredietgever overeenstemt met de beschermende bepalingen van het economisch recht.
Bij een consumentenkrediet waarvan de termijn vervallen wordt verklaard of dat wordt ontbonden, moet een onderscheid worden gemaakt tussen de nog verschuldigde hoofdsom, de interesten, de kosten en eventuele contractuele schadebedingen of boetes. De kredietgever mag niet eenvoudigweg interesten blijven berekenen op een totaalbedrag waarin ook reeds vervallen interesten of kosten begrepen zijn. De interesten moeten worden berekend op het werkelijk nog verschuldigde saldo in hoofdsom.
Even belangrijk is de vraag hoe latere betalingen van de consument moeten worden toegerekend. Wanneer de consument na de ontbinding van het krediet of na het verval van de termijn nog betalingen verricht, mogen die betalingen niet naar willekeur eerst worden aangerekend op interesten, schadebedingen of kosten. Zij moeten in de eerste plaats worden toegerekend op het nog verschuldigde saldo. Pas nadien kunnen zij worden toegerekend op interesten en kosten.
Deze regel beschermt de consument tegen een sneeuwbaleffect. Indien betalingen eerst op interesten of kosten zouden worden toegerekend, zou de hoofdsom kunstmatig hoog blijven en zouden daarop opnieuw interesten kunnen blijven lopen. Dat kan leiden tot een onevenredige schuldopbouw. De wettelijke regeling wil vermijden dat een kredietschuld, ondanks betalingen door de consument, blijft aangroeien door de wijze waarop de kredietgever zijn afrekening opstelt.
De rechter mag zich in een verstekprocedure niet gedragen als een louter registrerend orgaan. Weliswaar moet hij bij verstek in beginsel de vordering van de verschijnende partij inwilligen, maar dat geldt niet wanneer de vordering kennelijk ongegrond is, strijdig is met de openbare orde of strijdig is met regels die de rechter ambtshalve mag toepassen. Beschermende bepalingen inzake consumentenkrediet behoren tot die categorie.
Daaruit volgt dat een kredietgever zijn afrekening duidelijk, controleerbaar en wettelijk correct moet opstellen. De rechter kan de afrekening verbeteren wanneer blijkt dat betalingen verkeerd zijn toegerekend of dat interesten op een te ruime basis werden berekend. De rechter kan dan het gevorderde bedrag verminderen tot het bedrag dat volgens de wettelijke regels werkelijk opeisbaar is.
Toepassing zie rechtspraak die hierna volgt
Samenvatting van de casus in deze casus
Een kredietgever vorderde van een consument de terugbetaling van een consumentenkrediet. Volgens de kredietgever was het krediet beëindigd door ontbinding of door verval van de termijn. Er werd een bedrag gevorderd van 817,27 euro, vermeerderd met contractuele interesten.
De consument verscheen niet op de zitting en gaf dus geen uitleg over de reden waarom de gevorderde bedragen niet waren betaald.
De vrederechter stelde vast dat hij bij verstek de vordering in beginsel moet toewijzen, behalve wanneer zij kennelijk ongegrond is of strijdig is met regels die hij ambtshalve mag toepassen. De rechter onderzocht daarom of de afrekening van de kredietgever overeenstemde met de beschermende regels inzake consumentenkrediet.
De rechter stelde vast dat de kredietgever de betalingen die na de beëindiging van het krediet waren gebeurd, niet correct had afgetrokken van het nog verschuldigde saldo. Bovendien werden contractuele interesten gevraagd op zowel het resterende saldo als op reeds vervallen interesten.
De rechter verbeterde daarom de afrekening. De oorspronkelijke hoofdsom bedroeg 1.490,85 euro. Daarvan moesten betalingen voor 1.100 euro worden afgetrokken. Het resterende saldo in hoofdsom bedroeg dus 390,85 euro. Daarboven kwam een contractuele straf of vergoeding van 166,94 euro. Het totaal werd daardoor herleid tot 557,79 euro.
De consument werd veroordeeld tot betaling van 557,79 euro, vermeerderd met interesten aan 10,22%, maar enkel op het bedrag van 390,85 euro. De rechter preciseerde bovendien dat latere betalingen eerst op de hoofdsom moesten worden toegerekend en pas daarna op interesten, boetes, schadevergoedingen of kosten.
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
