Elfri.be – juridische kennisbank met rechtspraak, commentaar, modellen en praktische tips

Voor juristen, advocaten, ondernemingen en rechtszoekenden

Elfri.be
  • Home
  • Categorieën
    • Juridsiche bijdragen
    • Rechtspraak
    • Rechtsleer
    • Wetgeving
    • Modellen
    • Nuttige adressen
    • Nuttige linken
    • Publicaties
    • Veelgestelde Vragen
  • zoeken
  • Kantoor
    • Typo
  • Contact
    • Stel uw vraag aan een advocaat
    • Stel een vraag over de website
  • Kernwoorden
  • Abonnement
    • Abonnement op website nemen
    • Onmiddelijke toegang
    • Abonnement verlengen
    • Abonnement aanpassen
    • Historiek
    • Abonnement beheren of annuleren
  • Webshop
    • Lijst van beschikbare modellen
    • Winkelwagen
  • Mijn account
    • Inloggen
    • Paswoord vergeten
    • Mijn profiel
    • Mijn profiel aanpassen
    • UItloggen
    • Gebruikersnaam vergeten
  1. U bevindt zich hier:  
  2. Startpagina
  3. Categorieën
  4. Juridsiche bijdragen
  5. Proces-verbaal als tegenbewijs bij het vermoeden van vergunning: een strikte benadering
Vorig artikel: Sloop van geïnventariseerd bouwkundig erfgoed zonder vervangingsproject: grenzen van de goede ruimtelijke ordening Vorige Volgende artikel: Artikel 159 Grondwet en rechtsmacht: waarom de burgerlijke rechter geen forum is voor autonome wettigheidstoetsing Volgende
Details
Categorie: Artikel
Redactieteam-elfri.be By Redactieteam-elfri.be
Redactieteam-elfri.be
Laatst bijgewerkt: 30 september 2026
Hits: 5

Proces-verbaal als tegenbewijs bij het vermoeden van vergunning: een strikte benadering

Proces-verbaal als tegenbewijs bij het vermoeden van vergunning: een strikte benadering

Het ruimtelijk ordeningsrecht vertrekt voor oudere constructies van het uitgangspunt dat zij onder bepaalde voorwaarden als vergund kunnen worden beschouwd. Dit vermoeden van vergunning beoogt rechtszekerheid te bieden voor gebouwen die werden opgericht in een periode waarin de vergunningenpraktijk minder sluitend was dan vandaag. Voor constructies uit een welbepaalde overgangsperiode geldt evenwel geen absoluut, maar een weerlegbaar vermoeden. Dat onderscheid is cruciaal, omdat het bepaalt in welke mate en op welke wijze de overheid het vergunde karakter nog kan betwisten.

Bewijs van de oprichtingstijd

In een eerste fase rust op de eigenaar of aanvrager de last om aannemelijk te maken dat de constructie effectief werd opgericht binnen de relevante periode. Dat bewijs kan worden geleverd met alle rechtens toegelaten middelen. Het gaat daarbij om een ruime waaier van documenten en gegevens, zoals akten, administratieve stukken, correspondentie, verklaringen of andere aanwijzingen die samen een coherent beeld geven van het tijdstip van oprichting. Het bestuur moet deze elementen beoordelen op hun geloofwaardigheid en samenhang, maar beschikt daarbij niet over een ruime appreciatiemarge. Het moet nagaan of redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de constructie in de juiste periode tot stand is gekomen.

Tegenbewijs door de overheid

Wanneer voldoende is aangetoond dat de constructie binnen de relevante periode werd opgericht, rijst de vraag of het vermoeden van vergunning standhoudt. Voor constructies waarvoor slechts een weerlegbaar vermoeden geldt, heeft de decreetgever de mogelijkheden tot weerlegging uitdrukkelijk beperkt. Het vergunde karakter kan enkel worden ontkracht door welbepaalde vormen van tegenbewijs die bovendien tijdig moeten zijn opgesteld. Daarmee wordt vermeden dat het vermoeden via indirecte of laattijdige elementen alsnog wordt uitgehold.

Een proces-verbaal dat betrekking heeft op de betrokken constructie en dat werd opgesteld binnen de wettelijk bepaalde termijn na de oprichting, volstaat op zichzelf om het vermoeden te weerleggen. Aan dat proces-verbaal worden geen bijkomende voorwaarden gekoppeld. Het hoeft niet te hebben geleid tot verdere handhaving, noch tot een strafrechtelijke, burgerlijke of herstelvordering. Ook het feit dat eventuele inbreuken later zouden zijn verjaard, doet geen afbreuk aan de waarde van het proces-verbaal als tegenbewijs.

Geen ruimte voor bijkomende voorwaarden

Een strikte lezing van de regelgeving impliceert dat noch het bestuur, noch de rechter bijkomende vereisten mag toevoegen die niet uitdrukkelijk zijn voorzien. Wie verlangt dat een proces-verbaal effectief werd gevolgd door vervolging of herstelmaatregelen, leest voorwaarden in de regeling die er niet in staan. Het tegenbewijs bestaat in het loutere feit dat destijds een formele vaststelling werd gedaan van een niet-vergunde toestand. Dat volstaat om het vermoeden te doorbreken.

Gebonden bevoegdheid en rechterlijke toetsing

De beoordeling van het vermoeden van vergunning is geen beleidsmatige afweging. Het bestuur toetst niet aan ruimtelijke ordeningscriteria of aan de goede ruimtelijke ordening, maar verricht een feitelijke controle van het beschikbare bewijsmateriaal. In die zin gaat het om een gebonden bevoegdheid. Wanneer een geldig en tijdig proces-verbaal voorligt, moet het bestuur het vermoeden weigeren te aanvaarden. Omgekeerd moet het vermoeden worden erkend wanneer dergelijk tegenbewijs ontbreekt.

Ook de rechter kan deze beoordeling volledig toetsen. Er is geen reden voor een louter marginale redelijkheidstoets, aangezien geen complexe of beleidsmatige beoordeling aan de orde is. De controle omvat de vraag of de wettelijke voorwaarden correct zijn toegepast op de vastgestelde feiten.

Rechtszekerheid als leidraad

De gekozen benadering verzoent twee doelstellingen. Enerzijds wordt rechtszekerheid geboden aan eigenaars die hun constructie kunnen situeren binnen de relevante periode en waarvoor geen tijdig tegenbewijs bestaat. Anderzijds blijft het mogelijk om manifest niet-vergunde constructies uit diezelfde periode aan het vermoeden te onttrekken wanneer destijds effectief werd opgetreden. Door de weerlegging te beperken tot duidelijk omschreven en formele bewijsstukken wordt vermeden dat discussies blijven aanslepen op basis van indirecte of laattijdige elementen. Deze strikte maar heldere regeling draagt bij tot een voorspelbare en juridisch consistente toepassing van het vermoeden van vergunning.

FAQ – Proces-verbaal als tegenbewijs bij het vermoeden van vergunning

Wat is het vermoeden van vergunning?
Het vermoeden van vergunning is een rechtsfiguur waarbij een constructie onder bepaalde voorwaarden als vergund wordt beschouwd, ook al kan geen formele vergunning worden voorgelegd. Voor sommige oudere constructies is dit vermoeden onweerlegbaar, voor andere slechts weerlegbaar.

Wanneer is het vermoeden weerlegbaar?
Het vermoeden is weerlegbaar voor constructies die zijn opgericht na de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet en vóór de eerste inwerkingtreding van het toepasselijke gewestplan. In die gevallen kan de overheid het vergunde karakter nog ontkrachten.

Wie draagt de bewijslast van de oprichtingsdatum?
De eigenaar of aanvrager moet aantonen dat de constructie effectief in de relevante periode werd opgericht. Dat kan met alle rechtens toegelaten bewijsmiddelen.

Welke bewijsmiddelen zijn toegestaan om de oprichtingsdatum aan te tonen?
Dat kunnen onder meer akten, kadastrale stukken, belastingdocumenten, correspondentie, verklaringen, foto’s en andere aanwijzingen zijn die samen een coherent beeld geven van de oprichting.

Hoe kan de overheid het vermoeden van vergunning weerleggen?
De overheid kan het vermoeden enkel weerleggen met een proces-verbaal of een niet-anoniem bezwaarschrift dat betrekking heeft op de constructie en dat werd opgesteld binnen een beperkte termijn na de oprichting.

Is één enkel proces-verbaal voldoende als tegenbewijs?
Ja. Het loutere bestaan van een tijdig opgesteld proces-verbaal volstaat om het weerlegbaar vermoeden van vergunning te ontkrachten.

Moet het proces-verbaal gevolgd zijn door vervolging of herstelmaatregelen?
Nee. Het is niet vereist dat het proces-verbaal heeft geleid tot een strafvordering, burgerlijke vordering of herstelvordering. Ook het ontbreken van verdere handhaving is juridisch irrelevant.

Speelt verjaring van de vastgestelde feiten een rol?
Nee. De eventuele verjaring van de feiten doet geen afbreuk aan de waarde van het proces-verbaal als tegenbewijs tegen het vermoeden van vergunning.

Heeft het bestuur beoordelingsvrijheid bij de toepassing van het vermoeden?
Nee. De toepassing van het vermoeden van vergunning is een gebonden bevoegdheid. Wanneer een geldig en tijdig proces-verbaal bestaat, moet het bestuur het vermoeden weigeren te aanvaarden.

Kan de rechter dit volledig toetsen?
Ja. Omdat geen beleidsmatige of ruimtelijke afweging aan de orde is, kan de rechter volledig nagaan of de wettelijke voorwaarden correct zijn toegepast.

Wat leert de rechtspraak van 29 januari 2019 concreet?
Die rechtspraak bevestigt dat een oud maar tijdig opgesteld proces-verbaal doorslaggevend blijft, zelfs wanneer uitgebreid bewijs voorligt van een oprichting in de juiste periode en zelfs wanneer het proces-verbaal nooit tot verdere handhaving heeft geleid.

  • Preview: Hof van Cassatie 1e Kamer – 8 november 2007a) Art. 96, § 4, tweede lid, van het Decreet Ruimtelijke Ordening 1999 stelt een vermoeden in dat constructies waarvan is aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962, maar die dateren van vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, vermoed worden te zijn vergund, tenzij de overheid kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, dat de constructies in overtreding zijn opgericht. De feitenrechter kan uit de feitelijke elementen van het dossier afleiden dat de gemeentelijke registers van bouwaanvragen en -vergunningen als tegenbewijs in aanmerking kunnen worden genomen. De rechtsopvatting dat de afwezigheid van vermelding in de gemeentelijke registers nooit als tegenbewijs in aanmerking kan worden genomen, faalt naar recht. b) Krachtens art. 154, laatste lid, van het Decreet Ruimtelijke Ordening 1999 kan degene tegen wie een stakingsbevel is uitgevaardigd, de opheffing van deze maatregel vorderen voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Boek II, Titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op ...

Je hebt geen toegang tot de volledige inhoud van deze bijdrage.

Een deel van de inhoud van deze pagina is voorbehouden aan onze leden. Naargelang de bijdrage gaat het onder meer om verdere juridische analyse en commentaar, toepasselijke regelgeving en rechtspraak, concrete toepassingen, praktische aandachtspunten, modellen, referenties, bronnen en verdiepende juridische informatie.

Je kan deze pagina ook via een eenmalige toegang raadplegen zonder lid te worden door hier te klikken. Voor een beperkte meerprijs heb je reeds gedurende één maand toegang tot de volledige juridische databank.

 

Ontdek onze abonnementen

 

Ben je al lid, log in

 

Volgende inhoud op deze pagina is enkel beschikbaar voor leden:

 
  • Wetgeving
  • Topics
  • Volledige tekst
  • Rechtsleer
  • Rechtspraak
Preview Hof van Cassatie 1e Kamer – 8 november 2007a) Art. 96, § 4, tweede lid, van het Decreet Ruimtelijke Ordening 1999 stelt een vermoeden in dat constructies waarvan is aangetoond dat ze gebouwd zijn na de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962, maar die dateren van vóór de allereerste, definitieve vaststelling van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, vermoed worden te zijn vergund, tenzij de overheid kan aantonen door enig bewijsmateriaal, behoudens getuigenverklaringen, dat de constructies in overtreding zijn opgericht. De feitenrechter kan uit de feitelijke elementen van het dossier afleiden dat de gemeentelijke registers van bouwaanvragen en -vergunningen als tegenbewijs in aanmerking kunnen worden genomen. De rechtsopvatting dat de afwezigheid van vermelding in de gemeentelijke registers nooit als tegenbewijs in aanmerking kan worden genomen, faalt naar recht. b) Krachtens art. 154, laatste lid, van het Decreet Ruimtelijke Ordening 1999 kan degene tegen wie een stakingsbevel is uitgevaardigd, de opheffing van deze maatregel vorderen voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Boek II, Titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op ...

Kernwoorden

  • stedenbouwkundige vergunning
  • bouwvergunning
  • oude bouwovertredingen
  • vermoeden van stedenbouwkundige vergunning
  • constructies van voor 1962
  • vermoeden van vergunning

Stel uw vraag aan een advocaat

Meer dan een samenvatting

De volledige bijdrage bevat de nuances die in de praktijk tellen: voorwaarden, uitzonderingen, argumenten, toepassingen en aandachtspunten.

Bij rechtspraak, rechtsleer en wetgeving krijgt u bovendien de nuttige referenties en vindplaatsen voor verdere controle, bronvermelding en gebruik in uw dossier.

Volledige bijdrage raadplegen

Populair in juridische bijdragen

  • Second opinion bij verkeersgeschillen
    30.sep
  • Nieuwe deontologische regels over belangenconflicten bij advocaten
    30.sep
  • Verpleegkundig consult bij palliatieve zorg: wat betekent dit voor patiënt en familie?
    30.sep
  • Adressen van buitenlandse zaken en consulaten in België
    30.sep
  • Fraus omnia corrumpit begrenst de rechtsgevolgen van bedrog, maar niet verder dan nodig
    30.sep

LINKS

Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)

Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren 

Doorzoek elfri.be

Onmiddellijke toegang nodig?

Kies tussen onmiddellijke toegang, een volledig abonnement van één maand of een alternatieve abonnementsformule.

Koop onmiddelijke toegang

Neem 1 maand volledige toegang

Bekijk andere formules

Logo Elfri recolored

De meest gebruikte kernwoorden in elfri.be

  • onvermogen
  • collectieve schuldenregeling
  • WCO
  • insolventierecht
  • onvermogenden
  • wet continuïteit ondernemingen
  • Insolventie
  • faillissementenrecht
  • faillissement
  • rechten onvermogenden

RECHTS

Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)

Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren 

Inhoud en format © Elfri De Neve 1984-2026. All rights reserved - alle rechten voorbehouden. Website onwikkeling en design arc3c.