Wat regelt artikel 159 van de Grondwet precies?
Artikel 159 van de Grondwet verplicht elke rechter om bestuurshandelingen die strijdig zijn met hogere rechtsnormen buiten toepassing te laten. Het gaat om een exceptie van onwettigheid: de rechter mag een onwettige bestuurshandeling niet toepassen in het geschil dat hij moet beslechten.
Geeft artikel 159 Grondwet een recht om een bestuurshandeling aan te vechten?
Neen. Artikel 159 Grondwet verleent geen zelfstandig of subjectief recht om een bestuurshandeling onwettig te laten verklaren. Het is geen autonome actiemogelijkheid, maar een toetsingsbevoegdheid die de rechter uitoefent binnen een bestaand geschil.
Kan men op basis van artikel 159 Grondwet een zelfstandige vordering instellen bij de burgerlijke rechter?
Neen. Artikel 159 Grondwet kan niet dienen als rechtsgrond voor een autonome vordering die uitsluitend strekt tot de onwettig- of buitentoepassingverklaring van een bestuurshandeling. De exceptie kan enkel worden opgeworpen in het kader van een geschil over een subjectief recht.
Wanneer is de burgerlijke rechter bevoegd om een bestuurshandeling te toetsen?
De burgerlijke rechter is enkel bevoegd wanneer de vordering betrekking heeft op een bestaand of bedreigd subjectief recht en de bestuurshandeling rechtstreeks relevant is voor de beoordeling daarvan. De toetsing van de wettigheid is dan accessoir aan dat subjectieve geschil.
Volstaat het dat een bestuurshandeling een invloed heeft op een subjectief recht?
Neen. Een loutere weerslag of indirecte invloed op een subjectief recht is onvoldoende. Doorslaggevend is het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering. Indien dat voorwerp neerkomt op het herstel van de objectieve wettigheid, ontbreekt de rechtsmacht van de burgerlijke rechter.
Wat wordt bedoeld met het “werkelijk en rechtstreeks voorwerp” van de vordering?
Dit is het reële doel dat de eiser met zijn vordering nastreeft, los van de juridische inkleding. De rechter moet nagaan of de vordering in wezen gericht is op de bescherming van een subjectief recht dan wel op de wettigheid van een bestuurshandeling als dusdanig.
Kan de burgerlijke rechter optreden wanneer de wettigheid van een vergunning wordt betwist?
Alleen indien die wettigheidsvraag onlosmakelijk verbonden is met de beoordeling van een subjectief recht. Wanneer de vordering in werkelijkheid tot doel heeft de vergunning onwettig te laten verklaren, behoort het geschil tot het objectief contentieux en dus tot de bevoegdheid van de administratieve rechter.
Wat is het verschil tussen objectief en subjectief contentieux?
Het subjectief contentieux betreft geschillen over individuele rechten en verplichtingen tussen partijen. Het objectief contentieux heeft betrekking op de wettigheid van bestuurshandelingen in het algemeen belang, los van een individueel recht. Dat laatste behoort tot de administratieve rechtsmacht.
Kan men via een civielrechtelijke grondslag toch de burgerlijke rechter bevoegd maken?
Neen. Het louter aanroepen van civielrechtelijke bepalingen volstaat niet. Indien blijkt dat deze enkel op artificiële wijze worden ingeroepen om een geschil over objectieve wettigheid voor de burgerlijke rechter te brengen, moet die zich onbevoegd verklaren.
Welke rechter is dan wel bevoegd voor een autonome wettigheidstoetsing?
De administratieve rechter is de natuurlijke rechter van het objectief contentieux. Hij beschikt over de bevoegdheid om bestuurshandelingen rechtstreeks te vernietigen of hun wettigheid te beoordelen, los van een geschil over subjectieve rechten.
Kan artikel 159 Grondwet zowel defensief als offensief worden gebruikt?
Artikel 159 Grondwet kan worden ingeroepen als exceptie of ter ondersteuning van een vordering, maar steeds binnen een geschil over een subjectief recht. Het blijft een instrument binnen een bestaande rechtsstrijd, geen zelfstandige aanvalsmogelijkheid.
Wat is het praktisch belang van deze afbakening?
De afbakening voorkomt forumshopping en waarborgt een duidelijke taakverdeling tussen burgerlijke en administratieve rechter. Zij beschermt ook de rechtszekerheid door te vermijden dat dezelfde bestuurshandeling via parallelle wegen abstract ter discussie wordt gesteld.
