- Details
- Categorie: Artikel
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 5
De schorsing van de verjaring: draagwijdte, toepassingsgebied en wettelijke uitzonderingen
De verjaring kan niet alleen worden gestuit of verlengd, maar ook geschorst. Waar stuiting de reeds verlopen termijn volledig tenietdoet, heeft schorsing slechts een tijdelijke onderbreking tot gevolg: de verjaringstermijn stopt tijdelijk met lopen en begint opnieuw te lopen zodra de schorsingsgrond ophoudt te bestaan. De reeds verlopen tijd blijft dus behouden.
1. Begrip en draagwijdte
De schorsing van de verjaring is een uitzondering op het algemene beginsel van artikel 2251 Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat de verjaring loopt tegen iedereen, behoudens de gevallen waarin de wet anders bepaalt. De schorsing heeft tot gevolg dat de tijdsrekening van de verjaring tijdelijk stilstaat, zonder dat het reeds verstreken gedeelte verloren gaat. Zodra de oorzaak van de schorsing wegvalt, loopt de verjaring verder alsof er geen onderbreking is geweest.
De oorzaak van schorsing kan zelfs vóór de aanvang van de verjaring bestaan: zolang de schorsingsgrond voortduurt, kan de verjaring niet beginnen te lopen.
De schorsing vindt haar rechtvaardiging in billijkheidsoverwegingen. Het zou onbillijk zijn om de verjaring te laten lopen tegen personen die door een wettelijke onmogelijkheid verhinderd zijn om hun rechten te doen gelden. Daarom bepaalt het recht dat de verjaring gedurende deze onmogelijkheid wordt opgeschort.
Toch heeft het adagium contra non valentem agere, non currit praescriptio (“de verjaring loopt niet tegen wie niet kan handelen”) geen algemene toepassing in het Belgisch recht. Enkel wettelijke onmogelijkheid schorst de verjaring; feitelijke verhinderingen, zoals overmacht of onwetendheid, doen dat niet. De schorsing treedt bovendien van rechtswege in en vergt geen handeling van de partijen.
De schorsing heeft relatieve werking: zij geldt enkel ten aanzien van de persoon die door de wet beschermd wordt.
2. Conventionele schorsing
De regels over schorsing zijn niet van openbare orde. Partijen kunnen dus in principe contractueel overeenkomen dat de verjaring tijdelijk niet loopt.
-
• Voor het begin van de verjaringstermijn: conventionele schorsing is problematisch, omdat dit het aanvangspunt van de verjaring oneindig zou kunnen uitstellen, waardoor de schuldvordering feitelijk onverjaarbaar wordt.
-
• Tijdens een lopende verjaringstermijn: de partijen kunnen overeenkomen om de termijn tijdelijk te schorsen, bijvoorbeeld tijdens onderhandelingen, een lopend strafonderzoek of een overeengekomen uitstel van betaling.
Dergelijke afspraken moeten zorgvuldig worden geformuleerd. Het is aan te raden expliciet te vermelden dat de conventionele schorsing geen erkenning van schuld inhoudt, om te vermijden dat zij wordt gekwalificeerd als stuiting.
Conventionele schorsing mag evenwel niet leiden tot aantasting van wettelijke beschermingsgronden. Zo kunnen partijen niet overeenkomen dat de verjaring toch zou lopen tegen een minderjarige of een onbekwaamverklaarde persoon.
3. Wettelijke schorsingsgronden
Het Burgerlijk Wetboek voorziet in een aantal situaties waarin de verjaring wettelijk wordt geschorst.
a. Minderjarigen en beschermde personen
Volgens artikel 2252 BW loopt de verjaring niet tegen minderjarigen en niet tegen personen die krachtens artikel 492/1 BW onbekwaam zijn verklaard voor de handelingen waarop de vordering betrekking heeft.
Deze regel heeft tot doel deze personen te beschermen tegen de nalatigheid van hun wettelijke vertegenwoordigers, niet tegen hun eigen handelen.
De wet van 17 maart 2013 verduidelijkte de draagwijdte van deze bepaling door expliciet te verwijzen naar de gerechtelijk beschermde personen. De schorsing geldt enkel voor de handelingen waarvoor de onbekwaamheid uitdrukkelijk is vastgesteld.
Er bestaan twee uitzonderingen:
1. Korte verjaringstermijnen (zoals bedoeld in artikelen 2271 tot 2277bis BW) lopen wél tegen minderjarigen en beschermden, maar zij behouden een vordering tegen hun voogd of bewindvoerder bij nalatigheid.
2. De wet kan impliciet bepalen dat de verjaring toch loopt, wanneer dat uit het doel of de aard van de bijzondere wet blijkt.
b. Aanspraken tussen echtgenoten
Artikel 2253 BW bepaalt dat de verjaring niet loopt tussen echtgenoten. Deze regel beoogt de rust binnen het huwelijk te beschermen en te vermijden dat juridische conflicten het huwelijk verstoren.
De schorsing geldt voor alle vorderingen tussen echtgenoten, ongeacht of ze onderworpen zijn aan een korte of lange verjaring. Ook tijdens feitelijke scheiding of scheiding van tafel en bed blijft de schorsing gelden, zolang het huwelijk niet is ontbonden.
Een uitzondering geldt voor de echtgenoot aan wie het bestuur van zijn goederen is ontnomen: tegen hem loopt de verjaring wel, maar hij behoudt een vordering tegen de andere echtgenoot of lasthebber indien er sprake is van nalatigheid.
c. Aanspraken onder voorwaarde of termijn
Artikel 2257 BW bepaalt dat de verjaring niet loopt:
-
• zolang een opschortende voorwaarde niet is vervuld;
-
• zolang er geen uitwinning heeft plaatsgevonden in geval van een vrijwaringsvordering;
-
• en zolang de vervaldag van een schuldvordering niet is bereikt.
Deze situaties worden niet als echte schorsingsgronden beschouwd, maar vloeien voort uit het beginsel dat de verjaring pas begint te lopen zodra de vordering opeisbaar is.
d. Aanspraken van de beneficiaire erfgenaam
Artikel 2258 BW voorziet dat de verjaring wordt geschorst tussen de beneficiaire erfgenaam en de nalatenschap. De erfgenaam die de nalatenschap aanvaardt onder voorbehoud van boedelbeschrijving behoudt zijn rechten tegenover de nalatenschap, en omgekeerd.
Deze regel geldt uitsluitend voor aanspraken van de erfgenaam tegen de nalatenschap zelf, niet voor:
-
• zakelijke rechten op goederen van de nalatenschap;
-
• aanspraken tussen erfgenamen onderling;
-
• of aanspraken van de nalatenschap tegen de erfgenaam.
e. Verworpen schorsingsgronden
De wet sluit enkele situaties uit waarin geen schorsing mogelijk is:
-
• de verjaring wordt niet geschorst bij onbeheerde nalatenschappen; het is aan de belanghebbenden om een curator te laten aanstellen;
-
• de verjaring loopt door tijdens de drie maanden voor het opmaken van de boedelbeschrijving en de veertig dagen beraad;
-
• een onoverkomelijke dwaling in rechte heeft geen schorsend effect, aangezien zij geen wettelijke belemmering vormt om te procederen.
4. Besluit
De schorsing van de verjaring vormt een uitzonderingsmechanisme dat de billijkheid dient: men laat de verjaring niet lopen tegen wie juridisch verhinderd is om zijn rechten te doen gelden. Zij treedt van rechtswege in, heeft persoonlijke werking, en onderscheidt zich van de stuiting doordat de reeds verlopen tijd behouden blijft.
Partijen kunnen binnen bepaalde grenzen conventionele schorsing overeenkomen, maar de wettelijke beschermingsregels blijven onaantastbaar. De Belgische rechtspraak hanteert daarbij een restrictieve interpretatie: enkel wettelijke en niet feitelijke verhinderingen kunnen de verjaring doen stilstaan.
- Externe link: http://nl.wikipedia.org/wiki/Verjaring
- Externe link: http://www.storme.be/verjaring98.html
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
