Elfri.be – juridische kennisbank met rechtspraak, commentaar, modellen en praktische tips

Voor juristen, advocaten, ondernemingen en rechtszoekenden

Elfri.be
  • Home
  • Categorieën
    • Juridsiche bijdragen
    • Rechtspraak
    • Rechtsleer
    • Wetgeving
    • Modellen
    • Nuttige adressen
    • Nuttige linken
    • Publicaties
    • Veelgestelde Vragen
  • zoeken
  • Kantoor
    • Typo
  • Contact
    • Stel uw vraag aan een advocaat
    • Stel een vraag over de website
  • Kernwoorden
  • Abonnement
    • Abonnement op website nemen
    • Onmiddelijke toegang
    • Abonnement verlengen
    • Abonnement aanpassen
    • Historiek
    • Abonnement beheren of annuleren
  • Webshop
    • Lijst van beschikbare modellen
    • Winkelwagen
  • Mijn account
    • Inloggen
    • Paswoord vergeten
    • Mijn profiel
    • Mijn profiel aanpassen
    • UItloggen
    • Gebruikersnaam vergeten
  1. U bevindt zich hier:  
  2. Startpagina
  3. Categorieën
  4. Juridsiche bijdragen
  5. 1941 ULB De winter van de gesloten universiteit (een verhaal)
Vorig artikel: Voogd ad hoc bij vereffening-verdeling: vrederechter niet bevoegd Vorige Volgende artikel: Wat toont een rijbewijs precies aan Volgende
Details
Categorie: Artikel
kl By kl
kl
Laatst bijgewerkt: 30 september 2026
Hits: 5

1941 ULB De winter van de gesloten universiteit (een verhaal)

Toen de universiteit haar deuren sloot, leek het alsof iemand met één droge beweging een streep had getrokken door het leven van Julien Verhaegen.

Hij was tweeëntwintig en zat in zijn vierde jaar rechten aan de ULB. Tot voor kort had hij gedacht dat het leven zich, ondanks de oorlog, nog liet ordenen in artikels, paragrafen en examens. Men kon iets opschrijven, iets bewijzen, iets besluiten. Zelfs de inval van mei 1940 had hij nog ervaren als een verschrikkelijke onderbreking van iets dat later weer op gang zou komen. Zoals een trein die stilvalt in een tunnel, maar uiteindelijk toch opnieuw vertrekt.

Hij had in die meidagen het uniform gedragen dat hem veel te groot leek, een geweer vastgehouden waarvan hij nauwelijks wist hoe het werkte, en met honderden anderen gelopen tot zijn voeten openlagen. Daarna was er de capitulatie gekomen, het woord dat tegelijk schande en opluchting in zich droeg. Hij herinnerde zich nog de gezichten van de jongens rondom hem, de lege blik van een sergeant die bleef roepen toen niemand meer luisterde, de stofwolken op de weg, de vernederende stilte nadat het voorbij was.

Toen hij weken later in Brussel terugkeerde, was de stad nog dezelfde en toch niet meer. De trams reden, de gevels stonden recht, de kranten verschenen, maar onder alles lag een dunne, koude laag van angst. Hij had zijn studies weer opgenomen alsof hij zich aan iets stevigs vastklampte. In november 1940 zaten ze opnieuw in de auditoria, magerder dan voordien, ouder ook, al waren velen nog geen drieëntwintig. Jongens die soldaat waren geweest, studenten die uit Frankrijk waren teruggekeerd, zonen die hun vaders sinds de capitulatie anders aankeken.

Julien had zich met koppige ijver op het recht geworpen. Het burgerlijk recht, het strafrecht, de vraag hoe een samenleving zichzelf bijeenhoudt wanneer alles uit elkaar wil vallen. Hij noteerde driftig, leerde met honger en vermoeidheid als vanzelfsprekende metgezellen, en vertelde zichzelf dat orde ooit zou terugkeren, misschien juist dankzij mannen die het recht verstonden.

Maar in 1941 sloot de universiteit.

Niemand zei het met zoveel woorden, maar iedereen begreep waarom. De bezetter wilde meer dan gebouwen bezetten; hij wilde geesten inrichten, benoemingen opleggen, zielen hernoemen. De universiteit had geweigerd te buigen. Voor sommigen was dat heldendom, voor anderen roekeloosheid. Voor Julien betekende het vooral dat hij op een novemberdag met zijn portefeuille onder de arm voor een deur stond die voortaan gesloten bleef.

Vanaf dat ogenblik werd studeren iets dat men deed in schuilhoeken.

In de eetkamer van een oud-docent in Elsene werden lessen gegeven aan een half dozijn studenten die hun jassen niet uitdeden, voor het geval er gebeld werd. In een achterkamer boven een apotheek in Sint-Gillis werden samenvattingen rondgedeeld, op dun papier, met de typfouten van haast en geheimhouding. Een bevriende priester kende iemand aan Saint-Louis die bereid was oude syllabi door te geven. Er werd gefluisterd over het Jury central als over een verre rechtbank waar men ooit zijn lot nog eens mocht bepleiten.

Julien liep van adres naar adres met de behoedzaamheid van een man die niet schuldig is en zich toch zo gedraagt. Zijn moeder vond dat hij moest stoppen, een jaar verliezen, wachten tot de oorlog voorbij was. Zijn vader, een stille spoorwegbediende, zei daar niets op. Hij keek alleen naar Julien met de blik van een man die weet dat wachten ook een vorm van sterven kan zijn.

Het was in die maanden dat Julien Hélène ontmoette.

Niet in een salon, niet tijdens een les, zelfs niet via gemeenschappelijke vrienden, maar in de leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek. Zij zat aan een tafel bij het raam met een potlood tussen haar vingers en een stapel dossiers die er voor haar leeftijd te ernstig uitzagen. Ze droeg een donkerblauwe mantel, haar haar was slordig opgestoken, en wanneer ze haar hoofd boog, viel er een losse lok over haar wang die ze met een kleine, haast nukkige beweging terugstak.

Julien had haar eerst alleen opgemerkt omdat ze hem aankeek met een blik die half waarschuwend, half nieuwsgierig was.

Hij had op zijn plaats een bundel laten vallen. De suppoost siste. Twee mensen keken geïrriteerd op. Alleen zij glimlachte heel even, alsof ze vond dat men in deze tijden best af en toe iets mocht laten vallen.

Na afloop stond ze beneden in de marmeren hal toen hij langsliep.

“U bent van de ULB,” zei ze.

Het was geen vraag.

Julien knikte. “Ziet u dat zo goed?”

“Aan de koppigheid.”

“Dat klinkt niet als een compliment.”

“Dat is het ook niet altijd.”

Ze stelde zich voor als Hélène De Smet. Ze studeerde geen rechten, zei ze, al had ze ooit talen en geschiedenis willen doen. Nu deed ze “van alles een beetje”, wat Julien toen nog begreep als een teken van de onduidelijke levens die de oorlog voortbracht.

Ze dronken diezelfde dag koffie van surrogaat in een klein café waar de ramen beslagen waren en niemand te hard sprak. Ze vertelde weinig over zichzelf, maar veel over de stad. Over razzia’s die men voelde aankomen nog voor ze begonnen. Over mensen die plots verdwenen uit hun straat. Over nachten waarin men op de BBC naar Londen luisterde met het volume laag en het hart in de keel. Julien vertelde over de sluiting van de universiteit en over zijn angst dat vier jaar studie misschien op niets zouden uitlopen.

“Vier jaar studie lopen nooit op niets uit,” zei ze. “Mensen kunnen instellingen sluiten. Ze kunnen geen kennis sluiten.”

Hij lachte. “Dat klinkt alsof u dat ergens gelezen hebt.”

“Nee,” zei ze, “dat klinkt alsof ik wil dat het waar is.”

Hij zag haar terug. Eerst toevallig, later niet meer toevallig. In de bibliotheek, op straat, in een bakkerij waar nauwelijks nog brood te koop was, in een appartement waar een oud-assistent een clandestien college gaf over verbintenissenrecht. Hij ontdekte dat Hélène overal mensen kende en dat die mensen haar vertrouwden. Ze bracht soms pakjes weg. Ze had adressen uit het hoofd geleerd in plaats van op te schrijven. Ze sprak zelden een naam voluit uit. Wanneer Julien daar iets over vroeg, haalde ze haar schouders op en zei dat de stad vol kleine diensten zat die men elkaar moest bewijzen.

Pas later begreep hij dat “kleine diensten” in haar mond een vals bescheiden uitdrukking was.

Er was ook Michel.

Michel Deroose was sinds het eerste kandidatuurjaar Juliens vriend geweest. Hij kwam uit een familie van winkeliers in Brussel, droeg zijn jas altijd net iets beter gesneden dan de anderen en had een manier van spreken die professoren deed glimlachen. Hij had een gave voor het recht alsof regels voor hem niet beperkend waren maar buigzame instrumenten. In discussies zag hij altijd meteen waar de macht zat.

In mei 1940 hadden Julien en Michel nog samen onder de wapens gestaan, al was “samen” een groot woord voor de chaos van een verloren veldtocht. Ze hadden elkaar na de capitulatie teruggevonden in een café bij het Zuidstation en toen gezworen dat ze hun studies zouden afmaken, wat er ook gebeurde.

Maar Michel veranderde.

Niet plots, niet met één schokkende bekentenis, maar zoals een kamer koud wordt wanneer niemand merkt dat ergens een raam openstaat. Eerst zei hij dat men realistisch moest zijn. Dat Duitsland de oorlog wellicht zou winnen. Dat België beter een plaats vond in de nieuwe orde dan zich vast te klampen aan oude illusies. Daarna begon hij andere kranten te lezen. Hij sprak met een nieuwe minachting over “sentiment” en “ouderwets patriottisme”. Hij noemde de sluiting van de universiteit een theatrale vergissing.

“Wat hadden ze verwacht?” zei hij op een avond terwijl ze samen langs de Louizalaan liepen, in de schemering zonder straatlicht. “Dat men een rijk voert zonder in te grijpen in universiteiten? Macht is geen seminarie, Julien. Macht benoemt. Macht beslist.”

“En vrijheid dan?”

Michel glimlachte bijna medelijdend. “Vrijheid is een woord dat verliezers gebruiken om hun verlies te veredelen.”

Julien was toen nog niet klaar om te geloven dat zijn vriend werkelijk de grens zou oversteken. Hij dacht dat Michel pronkte met cynisme zoals sommige mannen pronken met moed. Maar er kwamen nieuwe tekenen. Een kenteken op de revers dat een week later alweer verdwenen was. Namen van mensen met wie hij omging, die Julien niet kende maar van wie hij meteen voelde dat men hen beter niet kende. Een zekere gladheid in zijn antwoorden. Een nieuwe zekerheid.

Op een avond, toen de avondklok naderde, zag Julien hem toevallig uitstappen uit een gebouw waarvan men in de wijk fluisterde dat er lijsten werden samengesteld.

Michel zag hem ook.

Ze stonden enkele seconden tegenover elkaar in het halfduister.

“Jij hier?” vroeg Michel.

“Ik zou hetzelfde kunnen vragen.”

Michel keek hem lang aan en zei toen: “Er zijn verschillende manieren om België te dienen.”

Julien antwoordde niet. Hij voelde niet alleen afkeer, maar ook verdriet, en misschien nog meer woede omdat verdriet hem zwak maakte.

Toen hij Hélène hierover vertelde, werd zij stiller dan gewoonlijk.

“Blijf uit zijn buurt,” zei ze.

“Je kent hem niet.”

“Ik ken het soort.”

“Hélène—”

“Luister naar mij.”

Er lag in haar stem iets dat hem deed zwijgen. Pas toen besefte hij dat zij niet zomaar pakjes rondbracht. Zij zat in het verzet. Niet aan de rand, niet als toevallige helpster, maar in een netwerk van mensen die berichten doorgaven, valse papieren verplaatsten, piloten verborgen, adressen veranderden zodra ze onveilig werden.

Hij voelde eerst angst, daarna trots dat zij hem dit toevertrouwde, en pas daarna het laffe besef dat trots en angst in oorlog dicht naast elkaar leven.

“Waarom vertel je mij dit?” vroeg hij.

“Misschien omdat ik moe ben van doen alsof ik alleen boeken leen,” zei ze.

“En als ik praat?”

“Dan had ik het je niet verteld.”

Hij keek naar haar handen. Ze lagen op tafel, smal en stil. Handen van een meisje van misschien twintig, eenentwintig. Handen die men eerder op een piano dan in een samenzwering zou verwachten.

Hij nam haar hand vast. Het was de eerste keer.

“Je zou moeten weggaan,” zei hij.

“Jij ook.”

“En mijn studies dan?”

Ze glimlachte droevig. “Daar is hij weer. De jurist.”

Hij bracht haar die avond naar huis maar zij liet hem nooit weten of het werkelijk haar huis was.

Hun liefde ontstond in flarden tijd. Een wandeling in het Terkamerenbos bij nevelig weer. Een gestolen kus in een portiek terwijl laarzen in de verte over de stoep klakten. Een middag in een leeg appartement waar een oude vrouw hen thee gaf en deed alsof ze niet zag dat ze elkaars handen bleven zoeken. Ze spraken weinig over de toekomst. De toekomst was in die jaren geen plaats waar men afspraken maakte.

Toch begon Julien haar in die toekomst te denken. Hij stelde zich voor hoe hij ooit advocaat zou worden, hoe hij aan de balie zou pleiten in een vrij land, hoe hij ’s avonds thuiskwam in een huis waar Hélène de ramen opendeed. Het waren bijna beschamend eenvoudige dromen. Juist daarom waren ze kostbaar.

In het voorjaar van 1943 werd Michel gevaarlijk.

Een student uit hun kring verdween na een huiszoeking. Een docent die clandestiene colleges gaf, werd kort nadien opgepakt. Een jongen uit rechten, Isaac Bernstein, dook onder nadat iemand hem had gewaarschuwd dat zijn naam circuleerde. Julien begon verbanden te zien die hij eerst niet had willen zien. Overal waar Michel recent was opgedoken, bleef later een spoor van angst achter.

Toen Julien hem daarmee confronteerde, deden ze dat niet in een café of op straat maar in een verlaten lokaal van een voormalige studentenkring, waar de ruiten met karton waren dichtgemaakt.

“Werk jij voor hen?” vroeg Julien.

Michel bleef opmerkelijk kalm. “Werk jij voor haar?”

Julien verstarde.

Michel lachte zacht. “Je kijkt altijd alsof liefde een geheim is dat de wereld uit beleefdheid niet zal aanraken.”

“Antwoord op mijn vraag.”

“Ik antwoord enkel op vragen die intelligent gesteld zijn.”

Julien stapte op hem toe. “Heb jij mensen verraden?”

Michel zette een stap achteruit, niet uit angst maar uit afkeer van lichamelijkheid. “Verraden. Dat woord weer. Jullie leven in melodrama. Alsof de staat een heilige is en niet gewoon de naam van de sterkste macht.”

“Er zijn mensen opgepakt.”

“Er worden overal mensen opgepakt.”

“Door jouw toedoen?”

Michel zuchtte. “Jij begrijpt niets van de tijd waarin wij leven. Na de oorlog zal men juristen nodig hebben die hebben leren denken in realiteit, niet in schoolse moraal.”

“Na de oorlog,” zei Julien, “zal men rechters nodig hebben.”

Michel keek hem aan met iets wat haast tederheid was. “Jij denkt nog altijd dat geschiedenis een rechtszaal is.”

“En jij denkt dat je eraan ontsnapt.”

Ze zijn zonder handdruk uit elkaar gegaan. Het was de laatste keer dat Julien hem als vriend zag.

De zomer van 1944 kwam met geruchten die warmer waren dan het weer. Er werd gefluisterd over geallieerde landingen, over terugtrekkende Duitsers, over paniek in kantoren waar men tot dan toe onwrikbare zekerheid had geveinsd. Hélène werd in die weken ongrijpbaarder. Soms zag Julien haar tien dagen niet. Dan kwam zij plots opdagen, vermoeid, met schaduwen onder de ogen en dezelfde koppige glimlach.

“Het einde begint,” zei ze.

“Dan moet je juist voorzichtiger zijn.”

“Net nu niet.”

Hij wilde haar omhelzen, vasthouden, haar verstoppen voor de laatste stuiptrekkingen van een verslagen bezetter. Maar hij wist dat liefde geen schuilplaats is wanneer iemand zichzelf aan een grotere zaak heeft gegeven.

Begin september werd Brussel bevrijd.

Mensen liepen huilend de straat op. Vlaggen verschenen alsof ze al die jaren in kasten hadden liggen ademen. Vrouwen kusten onbekende soldaten. Mannen die maandenlang gedempt hadden gesproken, schreeuwden nu van opluchting. Julien liep als verdwaasd door de menigte. Hij dacht aan zijn vader, aan de gesloten universiteit, aan de jongens van mei 1940, aan Isaac Bernstein die misschien nog leefde, aan de professoren die weerstand hadden geboden, aan Hélène.

Hij vond haar pas twee dagen later terug, in een appartement in Schaarbeek dat naar stof en vermoeidheid rook. Ze was magerder. Toen ze de deur opendeed, dacht hij eerst dat ze ziek was. Pas daarna zag hij de bloeduitstorting aan haar hals.

“Wat is er gebeurd?”

“Niets dat nog telt.”

“Hélène.”

Ze keek weg. “Ze hebben mij in augustus opgepakt. Niet lang. Er was chaos. Iemand heeft mij eruit gekregen.”

Hij kon niets zeggen. Hij voelde een woede die zo groot was dat ze niet eens meer op iemand gericht kon worden.

Hij sloeg zijn armen om haar heen. Ze beefde, maar bleef rechtstaan.

“Het is voorbij,” fluisterde hij.

“Nee,” zei ze. “Nu begint iets anders.”

Dat andere begon snel en rommelig.

De universiteit opende opnieuw. Lokalen vulden zich met een generatie die jaren had verloren en toch weigerde dat woord te gebruiken. Krijgsgevangenen keerden terug. Studenten die ondergedoken hadden gezeten, kwamen opnieuw boven water. Anderen verschenen nooit meer. Julien hervatte zijn laatste traject met een soort uitgehongerde discipline. Hij legde examens af die al lang hadden moeten bestaan. Sommige professoren waren terug, andere niet. Iedereen deed alsof het academische leven hervat was, maar onder elk college lag het besef dat men door een massagraf van jaren liep.

Hij behaalde uiteindelijk zijn diploma rechten in 1945.

Toen hij zich aanmeldde voor de stage aan de balie van Brussel, had hij het gevoel dat hij een belofte inloste die hij ooit aan zichzelf had gedaan in uniform, ergens langs een modderweg in mei 1940. Hij droeg zijn zwarte toga voor het eerst met een ontroering die hij voor niemand zou hebben toegegeven.

Maar de balie van 1945 was geen rustige toegangspoort tot het beroep. Zij was een voorpost van de naoorlogse storm. Overal waren dossiers. Collaboratiezaken. Aangiften. Beschuldigingen. Mensen die schuldig waren, mensen die wellicht schuldig waren, mensen die vooral gehaat waren. De krijgsraden werkten koortsachtig. Er moest geoordeeld worden, gestraft, gezuiverd, hersteld. Het land wilde recht en nam soms genoegen met wraak wanneer recht te langzaam kwam.

Als jonge stagiair kreeg Julien zaken toebedeeld die oudere advocaten liever ontweken. Pro Deo-verdedigingen voor beklaagden die geen geld hadden of door niemand nog openlijk wilden worden verdedigd. Hij aanvaardde ze omdat hij moest, maar ook omdat hij inmiddels begreep dat het recht precies daar zijn zwaarste proef aflegt: niet wanneer men de onschuldige verdedigt, maar wanneer men de verachte toch een stem moet geven.

Op een novembermorgen kreeg hij een dossier in handen en zag de naam nog voor hij goed besefte wat hij las.

Michel Deroose.

Julien bleef lange tijd zitten zonder te bewegen.

De feiten waren ernstig. Contacten met collaborerende instanties. Medewerking aan verklikkingen. Doorgeven van namen. Geen hoofdrolspeler van de geschiedenis, geen ideoloog van formaat, eerder het soort man dat zichzelf ooit te intelligent had gevonden om slechts toeschouwer te blijven, en dat vervolgens zijn talenten aan de verkeerde zijde had verhuurd.

Julien vroeg de stafhouder of iemand anders de zaak kon overnemen.

De oude man keek hem scherp aan. “Kent u hem?”

“Ja.”

“Dan kent u misschien ook de noodzaak van een eerlijk proces.”

Julien antwoordde niet.

Twee dagen later bezocht hij Michel in de gevangenis.

Zijn vroegere vriend was vermagerd. De elegante zekerheid was verdwenen, maar niet helemaal. Sommige mensen verliezen alles behalve hun gewoonte om zichzelf te rechtvaardigen.

“Ze sturen jou,” zei Michel. “Ironisch.”

“Ik heb niet gevraagd om deze zaak.”

“Maar je bent gebleven.”

Julien ging zitten. Tussen hen stond een tafel die te klein was voor zoveel verleden.

“Heb jij het gedaan?”

Michel keek hem lang aan. “Dat hangt af van wat ‘het’ is.”

“Geen spitsvondigheden.”

Michel glimlachte bleek. “Je bent werkelijk advocaat geworden.”

“En jij?”

“Wat wil je horen? Dat ik me heb vergist? Dat ik misdadig was? Dat ik een monster ben?”

“Ik wil horen of jij wist wat er met die mensen gebeurde.”

Even was er stilte.

“Ja,” zei Michel eindelijk.

Julien sloot zijn ogen.

“Niet altijd helemaal,” ging Michel verder. “Maar genoeg.”

“Waarom?”

Michel haalde langzaam de schouders op. “Omdat ik dacht dat geschiedenis gewonnen wordt door wie durft kiezen. Omdat ik dacht dat de Duitsers zouden blijven. Omdat macht aantrekkelijker is wanneer de wereld in brand staat. Omdat ik mezelf te helder vond voor jullie illusies. Kies maar wat je het liefst hoort.”

Julien voelde geen triomf, alleen uitputting.

“En spijt?”

Michel keek naar zijn handen. “Soms. Maar zelfs spijt is ijdelheid wanneer ze te laat komt.”

Tijdens het proces pleitte Julien niet voor onschuld. Daarvoor was er te veel. Hij pleitte voor maat, voor onderscheid, voor de noodzaak om feiten zorgvuldig te wegen in plaats van een man als symbool op te hangen aan de woede van een natie. Hij deed wat een advocaat moest doen. Niet meer. Niet minder. Toen hij klaar was, voelde hij zich vuil en toch ook merkwaardig rechtop.

Na de zitting wachtte Hélène hem buiten op.

Ze had hem gezegd dat ze niet zou komen. Toch stond ze daar, in een grijze mantel, haar handen diep in de zakken.

“En?” vroeg ze.

“Ik heb gepleit.”

“Voor hem.”

“Voor een proces dat geen lynching wordt.”

Ze zweeg even. “Ik weet het.”

“Ben je boos?”

“Ja,” zei ze eerlijk. “Maar niet op jou.”

Ze wandelden zwijgend langs het Paleis van Justitie. De stad was koud, maar vrij. Dat bleef een wonder.

“Denk je dat we ooit klaar zullen zijn met de oorlog?” vroeg Julien.

Hélène keek naar de lucht, waar laaghangende wolken over Brussel trokken.

“Nee,” zei ze. “Maar we kunnen misschien leren er niet meer in te wonen.”

Hij nam haar arm vast. Zij liet het toe.

Later, veel later, toen de dossiers dunner werden en de stad opnieuw begon te lijken op een plaats waar kinderen gewoon kinderen waren, zou Julien soms terugdenken aan die jaren als aan een lange winter waarin de deuren van de universiteit dichtgingen en die van de geschiedenis openbraken.

Hij had geleerd dat een studie niet alleen wordt afgemaakt met examens, maar ook met volharding in tijden waarin kennis geen vanzelfsprekend recht meer is. Hij had geleerd dat liefde kan ontstaan in schaarste en geheimhouding en toch echt zijn. Hij had geleerd dat vriendschap niet bestand is tegen de verleiding van macht wanneer karakter tekortschiet. En hij had geleerd dat het recht, hoe broos ook, soms het enige laatste fatsoen is dat een samenleving zich nog kan veroorloven.

Op een avond in zat hij thuis aan tafel, tegenover Hélène. Het raam stond op een kier. Van buiten klonk het gewone leven van Brussel: een tram, een verre stem, voetstappen op de stoep.

Julien keek op van zijn dossier en zei: “Weet je wat het vreemdste is?”

“Dat jij nog altijd praat alsof je een conclusie neerlegt?”

Hij glimlachte. “Nee. Dat ik soms nog steeds denk aan die jongen van vier jaar rechten. Alsof hij iemand anders was.”

Hélène legde haar hand op de zijne.

“Dat was hij ook,” zei ze. “Maar hij is niet verloren gegaan.”

Hij keek haar aan en dacht dat zij gelijk had. Niet omdat de oorlog hen had gespaard. Dat had hij niet gedaan. Maar omdat zij, tegen alle redelijkheid in, toch iets hadden behouden dat meer waard bleek dan zekerheid: de weigering om innerlijk te capituleren.

En buiten, in de stad die zoveel had gezien en zoveel had verzwegen, reed de tram verder alsof ook een nieuw leven uiteindelijk gewoon begint met beweging.

Je hebt geen toegang tot de volledige inhoud van deze bijdrage.

Een deel van de inhoud van deze pagina is voorbehouden aan onze leden. Naargelang de bijdrage gaat het onder meer om verdere juridische analyse en commentaar, toepasselijke regelgeving en rechtspraak, concrete toepassingen, praktische aandachtspunten, modellen, referenties, bronnen en verdiepende juridische informatie.

Je kan deze pagina ook via een eenmalige toegang raadplegen zonder lid te worden door hier te klikken. Voor een beperkte meerprijs heb je reeds gedurende één maand toegang tot de volledige juridische databank.

 

Ontdek onze abonnementen

 

Ben je al lid, log in

 

Volgende inhoud op deze pagina is enkel beschikbaar voor leden:

 
  • Volledige tekst

Stel uw vraag aan een advocaat

Meer dan een samenvatting

De volledige bijdrage bevat de nuances die in de praktijk tellen: voorwaarden, uitzonderingen, argumenten, toepassingen en aandachtspunten.

Bij rechtspraak, rechtsleer en wetgeving krijgt u bovendien de nuttige referenties en vindplaatsen voor verdere controle, bronvermelding en gebruik in uw dossier.

Volledige bijdrage raadplegen

Populair in juridische bijdragen

  • Second opinion bij verkeersgeschillen
    30.sep
  • Nieuwe deontologische regels over belangenconflicten bij advocaten
    30.sep
  • Verpleegkundig consult bij palliatieve zorg: wat betekent dit voor patiënt en familie?
    30.sep
  • Adressen van buitenlandse zaken en consulaten in België
    30.sep
  • Fraus omnia corrumpit begrenst de rechtsgevolgen van bedrog, maar niet verder dan nodig
    30.sep

LINKS

Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)

Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren 

Doorzoek elfri.be

Onmiddellijke toegang nodig?

Kies tussen onmiddellijke toegang, een volledig abonnement van één maand of een alternatieve abonnementsformule.

Koop onmiddelijke toegang

Neem 1 maand volledige toegang

Bekijk andere formules

Logo Elfri recolored

De meest gebruikte kernwoorden in elfri.be

  • onvermogen
  • collectieve schuldenregeling
  • WCO
  • insolventierecht
  • onvermogenden
  • wet continuïteit ondernemingen
  • Insolventie
  • faillissementenrecht
  • faillissement
  • rechten onvermogenden

RECHTS

Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)

Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren 

Inhoud en format © Elfri De Neve 1984-2026. All rights reserved - alle rechten voorbehouden. Website onwikkeling en design arc3c.