- Details
- Categorie: Rechtsleer
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 5
De mythe van de geobjectiveerde fout
Het nieuwe Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wekt de indruk dat het foutbegrip volledig “geobjectiveerd” is: de klassieke tweedeling in een objectief (onrechtmatigheid) en subjectief (toerekenbaarheid/schuld) element zou verdwijnen. In de praktijk blijft het morele element evenwel doorwerken. De wetgever heeft namelijk nagenoeg alle situaties waarin het subjectieve element traditioneel ontbrak, expliciet gecodificeerd of ondergebracht in uitsluitings- of matigingsmechanismen. De kern verschuift: waar vroeger werd gezegd dat geen fout bestond bij gebrek aan schuld, wordt nu gesteld dat wél fout (onrechtmatigheid) bestaat, maar dat de aansprakelijkheid wordt uitgesloten of gematigd. De objectivering is aldus vooral terminologisch; inhoudelijk blijft de rechtstoestand grotendeels dezelfde.
-
Het klassieke foutbegrip was tweeledig. Een daad is foutief wanneer zij onrechtmatig is (schending van een gedragsnorm of van de algemene zorgvuldigheidsnorm) én toerekenbaar is aan de schadeverwekker (schuldbekwaamheid/verwijtbaarheid). De onrechtmatigheid werd in abstracto beoordeeld aan de hand van de normaal voorzichtige en redelijke persoon, geplaatst in dezelfde externe omstandigheden. In principe blijven interne kenmerken buiten beeld, al liet de rechtspraak geregeld nuanceringen toe (beroepshoedanigheid, ervaring, leeftijd in specifieke contexten).
-
Het subjectieve element werd in concreto beoordeeld: vereist is dat de onrechtmatigheid bewust (voldoende normbesef) en vrij (controle over het handelen) is begaan. In de praktijk werd daarbij vaak een vermoeden van toerekenbaarheid aanvaard van zodra het materiële element vaststond, met omkering van de bewijsvoering naar de aangesprokene om schuldontbreken aan te tonen. Voorzienbaarheid speelde een rol, hetzij als component van de zorgvuldigheidstoets, hetzij als element van verwijtbaarheid.
-
In de traditionele leer onderscheidde men langdurige en kortstondige afwezigheid van het morele element. Bij langdurig gebrek (zeer jonge minderjarigen, personen met een geestesstoornis, rechtspersonen) voorzag het recht opvangmechanismen: ouderlijke aansprakelijkheid, billijkheidsvergoeding, of toerekening via organen. Bij kortstondige wilsdeficiëntie (overmacht, onoverwinnelijke dwaling, plots bewustzijnsverlies) werd aansprakelijkheid uitgesloten of verlegd naar een voorafgaande onzorgvuldigheid (zichzelf in een toestand brengen die controle of oordeelsvermogen uitschakelt).
-
Boek 6 herbevestigt dat “fout” bestaat uit onrechtmatigheid: schending van een wettelijke gedragsregel of van de algemene zorgvuldigheidsnorm, getoetst aan de voorzichtige en redelijke persoon in dezelfde omstandigheden. De wettekst presenteert dit als objectivering, maar integreert tegelijk elementen die in de praktijk de subjectieve toets blijven kleuren. Zo worden beroep, ervaring en opleiding expliciet relevant in de zorgvuldigheidstoets, en kan met verminderde capaciteiten wegens leeftijd, ziekte of beperking rekening worden gehouden. Ook voorzienbaarheid wordt uitdrukkelijk bij de beoordeling betrokken.
-
De zogenaamd geobjectiveerde fout wordt bovendien geflankeerd door bepalingen die de vroegere “schuldontbreken”-gevallen codificeren:
– Minderjarigen: onder een vaste leeftijdsgrens is foutaansprakelijkheid uitgesloten; daarboven is aansprakelijkheid principieel mogelijk, maar opent de wet een expliciet billijkheidskanaal om te verminderen of uit te sluiten, met aandacht voor omstandigheden en verzekeringsdekking. Daarnaast wordt ouderlijke aansprakelijkheid normatief vormgegeven, wat de vroegere discussie over onderscheidingsvermogen feitelijk verplaatst naar het tegenbewijs door de ouders.
– Personen met een geestesstoornis: ook hier is aansprakelijkheid in beginsel mogelijk, maar kan de rechter op billijkheidsgronden matigen rekening houdend met de toestand van partijen. De materiële omschrijving van “geestesstoornis” sluit nauw aan bij de vroegere praktijk (ernstige aantasting van oordeelsvermogen of controle).
– Rechtspersonen: de tekst bevestigt dat dezelfde regels gelden als voor natuurlijke personen en koppelt daar een duidelijke toerekeningsregel aan voor organen en hun leden, zodat de vroegere knelpunten van de orgaantheorie worden ondervangen (o.m. regres en collegiale organen). -
Uitsluitingsgronden van aansprakelijkheid worden expliciet opgesomd en omvatten zowel klassieke rechtvaardigings- als schulduitsluitingsgronden. Overmacht wordt gedefinieerd als onmogelijkheid om de gedragsregel na te leven; onoverwinnelijke dwaling, in feite of in rechte, blijft een autonome grond. De vroegere ad hoc-gevallen van kortstondig bewustzijnsverlies zonder strikte overmacht of dwaling zullen in de praktijk vaak toch tot hetzelfde resultaat leiden via aansprakelijkheid voor de voorafgaande onzorgvuldigheid die de deficiëntie veroorzaakte.
-
Wat de bewijslast betreft, suggereert de nieuwe terminologie een verlicht bewijs voor de benadeelde (volstaat te bewijzen: onrechtmatigheid, schade, causaliteit), waarna de aangesprokene een uitsluitings- of matigingsgrond moet aantonen. In werkelijkheid sluit dit aan bij de bestaande procespraktijk, waar toerekenbaarheid veelal werd vermoed na bewijs van het materiële element en het aan de aangesprokene was om het ontbreken van schuld te staven. Een structurele verschuiving doet zich dus niet voor.
-
Conclusie. De geobjectiveerde fout is in hoofdzaak een theoretische heretikettering. De wet behoudt de abstracte zorgvuldigheidsmaatstaf, maar laat ruim baan voor contextuele inkleuring die traditioneel tot het morele element werd gerekend. Tegelijk worden de klassieke situaties van schuldontbreken en de uitsluitingsgronden expliciet verankerd, met billijkheidsmatiging waar aangewezen. De materiële formulering van “fout” (onrechtmatigheid) maskeert aldus dat toerekenbaarheid en verwijtbaarheid via de achterdeur blijven meespelen. De objectivering van de fout is daarom, in essentie, een mythe.
FAQ — De mythe van de geobjectiveerde fout
1. Wat bedoelt men met de ‘objectivering’ van het foutbegrip?
Met de invoering van Boek 6 BW werd verklaard dat de fout voortaan enkel nog bestaat uit het objectieve element — de onrechtmatigheid. De klassieke notie van schuld of toerekenbaarheid (het subjectieve element) zou zijn weggevallen. In theorie betekent dit dat enkel nog de onrechtmatigheid moet worden bewezen, niet langer de schuld van de dader.
2. Is het subjectieve element werkelijk verdwenen uit het Belgische aansprakelijkheidsrecht?
Neen. In de praktijk blijft de rechter rekening houden met factoren die traditioneel tot het morele element behoorden: inzicht, controle over het handelen, leeftijd, ziekte, beperking, beroep, ervaring... De zogenaamde “objectivering” is eerder een terminologische dan een inhoudelijke wijziging.
3. Waarom spreekt de auteur van een ‘mythe’?
Omdat de wetgever wel beweert dat het foutbegrip werd geobjectiveerd, maar tegelijk alle situaties waarin schuldontbreken klassiek werd aangenomen (bijvoorbeeld infantes of geesteszieken) expliciet heeft gecodificeerd in nieuwe uitsluitings- of billijkheidsbepalingen. Het resultaat is dus niet een afschaffing, maar een herverpakking van het subjectieve element.
4. Hoe behandelt Boek 6 de aansprakelijkheid van minderjarigen?
Minderjarigen jonger dan 12 jaar kunnen niet aansprakelijk worden gesteld. Tussen 12 en 18 jaar geldt een billijkheidsregeling waarbij de rechter de vergoeding geheel of gedeeltelijk kan kwijtschelden, rekening houdend met de omstandigheden en de verzekeringsdekking. De vroegere discussie over “jaren des onderscheids” is vervangen door een vaste grens, maar de onderliggende bekommernissen blijven.
5. En wat met personen met een geestesstoornis?
Ook zij kunnen volgens Boek 6 in beginsel aansprakelijk zijn, maar de rechter mag de schadevergoeding matigen op grond van billijkheid en de concrete situatie van de partijen. Dit komt in essentie overeen met de vroegere regeling via artikel 1386bis oud BW.
6. Heeft de hervorming gevolgen voor rechtspersonen?
Ja, maar vooral verduidelijkend. Boek 6 bepaalt uitdrukkelijk dat rechtspersonen aansprakelijk zijn volgens dezelfde regels als natuurlijke personen, en dat de fouten van hun organen en leden aan hen kunnen worden toegerekend. De klassieke orgaantheorie blijft dus impliciet behouden, maar wordt aangevuld met een expliciete wettelijke basis.
7. Zijn de klassieke uitsluitingsgronden (overmacht, dwaling…) gewijzigd?
Ze zijn nu expliciet opgenomen in Boek 6 (artikelen 6.7 en 6.8), met een brede definitie van “gronden van uitsluiting van aansprakelijkheid”. De praktische draagwijdte blijft nagenoeg dezelfde, maar de codificatie beperkt wellicht de creatieve ruimte van de rechtspraak.
8. Verandert de bewijslast voor de benadeelde partij?
Niet wezenlijk. Theoretisch volstaat het om de onrechtmatigheid aan te tonen, waarna het aan de aangesprokene is om een uitsluitings- of matigingsgrond te bewijzen. In de praktijk was dat al zo: de aanwezigheid van schuld werd doorgaans vermoed zodra de fout (in materiële zin) vaststond.
9. Wat is dan de kernboodschap van dit artikel?
Dat de hervorming van het foutbegrip in Boek 6 geen fundamentele breuk vormt met het oude recht. Het subjectieve element blijft aanwezig, zij het onder een andere naam en verspreid over andere bepalingen. De objectivering van de fout is dus niet meer dan een juridisch label dat de onderliggende realiteit niet wezenlijk verandert.
10. Waarom is dit belangrijk voor de praktijkjurist?
Omdat de indruk kan ontstaan dat de toets aan schuld of toerekenbaarheid niet langer relevant is. In werkelijkheid blijven die begrippen essentieel bij de beoordeling van aansprakelijkheid, de toepassing van uitsluitingsgronden en de billijkheidsmatiging. Wie dat uit het oog verliest, dreigt de draagwijdte van Boek 6 verkeerd te begrijpen.
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
