Wanneer een beklaagde wordt vervolgd voor een strafbaar feit, vormt zijn recht om in persoon deel te nemen aan het proces een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces. Dit aanwezigheidsrecht omvat meer dan louter fysieke aanwezigheid in de rechtszaal: het garandeert dat de beklaagde het verloop van de procedure kan volgen, overleg kan plegen met zijn raadsman, instructies kan geven en actief kan deelnemen aan de beoordeling van het bewijsmateriaal. De aanwezigheid van een raadsman kan dit recht niet automatisch vervangen wanneer de beklaagde uitdrukkelijk te kennen geeft dat hij zelf wil worden gehoord.
Indien een beklaagde in voorlopige hechtenis verblijft, niet de taal van de rechtspleging spreekt en afhankelijk is van de overheid om op de zitting te verschijnen, rust op de bevoegde diensten een verhoogde verantwoordelijkheid om zijn fysieke aanwezigheid daadwerkelijk te verzekeren. Het uitblijven van die overbrenging kan leiden tot een ernstige aantasting van de rechten van verdediging. Wanneer dit herhaald gebeurt, ontstaat een situatie waarin een eerlijk proces niet langer kan worden gewaarborgd.
Het Europees recht bevestigt bovendien het recht op behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn. Dat betekent dat een strafprocedure niet nodeloos mag worden uitgesteld, zeker niet wanneer de beklaagde in voorlopige hechtenis verblijft. Indien de omstandigheden erop wijzen dat verdere uitstellen weinig perspectief bieden op een correct verloop van de procedure, komt de voortzetting van de strafvervolging zelf in het gedrang.
In dergelijke situaties kan de rechter oordelen dat de strafvordering niet meer op rechtmatige wijze kan worden beoordeeld. Een niet-ontvankelijkverklaring van de strafvordering kan dan de enige passende beslissing zijn om te vermijden dat een procedure wordt verdergezet die structureel in strijd is met de waarborgen van het eerlijk proces. Deze benadering bevestigt dat procedurele rechten niet louter formeel zijn, maar een wezenlijke voorwaarde vormen voor de geldigheid van de strafvervolging.
In een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, werd geïllustreerd p indringende wijze dat het recht op een eerlijk proces niet louter een theoretisch beginsel is, maar een daadwerkelijk afdwingbare waarborg. Wanneer een beklaagde die in voorlopige hechtenis verblijft, herhaaldelijk niet wordt overgebracht naar de zitting ondanks een uitdrukkelijk verzoek, komt de uitoefening van de rechten van verdediging in het gedrang. In dat geval kan de strafvordering zelf niet langer op ontvankelijke wijze worden voortgezet.
De kern van de beoordeling ligt in de combinatie van meerdere factoren. De beklaagde bevond zich in voorlopige hechtenis, sprak de taal van de rechtspleging niet en had duidelijk laten weten persoonlijk op de zittingen aanwezig te willen zijn. Ondanks uitdrukkelijke verzoeken van zowel de verdediging als de rechtbank slaagden de bevoegde diensten er niet in hem over te brengen. Op drie opeenvolgende zittingen bleef zijn aanwezigheid uit, terwijl de zaak inhoudelijk zwaar woog en het openbaar ministerie reeds een aanzienlijke gevangenisstraf had gevorderd.
