In deze zaak trokken enkele politieke bewegingen en enkele natuurlijke personen naar de rechtbank tegen de Belgische Staat. Zij meenden dat de wettelijke regeling over partijfinanciering onrechtvaardig was en in de praktijk vooral gevestigde partijen bevoordeelde. Volgens hen werden nieuwe of kleinere bewegingen daardoor benadeeld in hun kansen om daadwerkelijk aan het democratisch debat deel te nemen. De natuurlijke personen voerden daarnaast aan dat zij als kiezers nadeel leden door de manier waarop publieke middelen werden besteed en doordat hun stem minder betekenis zou hebben.
De eisers vroegen in hoofdzaak dat de rechtbank de Belgische Staat zou bevelen de wetgeving over partijfinanciering aan te passen zodat die in overeenstemming zou zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Daarnaast vroegen zij elk ook een symbolische en provisionele schadevergoeding van één euro.
De rechtbank maakte eerst een onderscheid tussen beide onderdelen van de vordering. Voor zover aan de rechtbank werd gevraagd om de wet zelf te laten aanpassen, verklaarde zij zich zonder rechtsmacht. Dat verzoek strekte volgens de rechtbank niet tot de bescherming van een subjectief recht, maar in wezen tot het ongedaan maken van een vermeende grondwetschending door een wet.
Voor zover de eisers een schadevergoeding vroegen wegens een beweerd foutief optreden van de wetgever, achtte de rechtbank zich wel bevoegd. Vervolgens onderzocht zij of de eisers daarvoor een voldoende belang hadden. De natuurlijke personen hadden dat volgens de rechtbank niet. Hun hoedanigheid van kiezer en hun kritiek op de besteding van belastinggeld waren onvoldoende persoonlijk en rechtstreeks. Hun vordering werd daarom onontvankelijk verklaard.
De politieke bewegingen hadden volgens de rechtbank wel een voldoende belang, omdat zij aanvoerden dat zij in hun eigen politieke ontwikkeling werden gehinderd. Hun schadevordering was dus ontvankelijk. Toch werd die uiteindelijk ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat zij onvoldoende aantoonden dat er een juridisch relevante fout was die tot aansprakelijkheid van de Staat kon leiden, en vooral dat zij het oorzakelijk verband tussen de aangeklaagde regeling en hun beweerde schade niet voldoende concreet bewezen.
De rechtbank besloot uiteindelijk dat de zaak in wezen neerkwam op kritiek op beleidskeuzes van de wetgever over partijfinanciering. Zulke keuzes behoren tot het politieke debat en mogen niet via een burgerlijke aansprakelijkheidsprocedure door de rechter worden hertekend. Daarom werd de resterende vordering afgewezen en werden de eisers in de kosten verwezen.
