- Details
- Categorie: Artikel
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 5
Beperkt afwijken van stedenbouwkundige voorschriften: een voorzichtige koerswijziging
De mogelijkheid om bij een omgevingsvergunning beperkt af te wijken van stedenbouwkundige of verkavelingsvoorschriften wordt in de praktijk frequent gebruikt om spanningen tussen concrete projecten en geldende voorschriften op te vangen. Die afwijkingsmogelijkheid blijft evenwel een bron van discussie, vooral wanneer het “beperkte” karakter van de afwijking ter discussie staat. De rechtspraak heeft hierover de voorbije jaren een vrij strikte lijn ontwikkeld, maar laat sporadisch ook tekenen van nuance zien.
Het juridisch kader vertrekt van het uitgangspunt dat slechts voor een welbepaalde categorie van voorschriften een beperkte afwijking mogelijk is. Het gaat om regels die betrekking hebben op perceelsafmetingen, afmetingen en inplanting van constructies, dakvorm en gebruikte materialen. Voor andere voorschriften, met name die welke de bestemming van een gebied bepalen, is elke afwijking uitgesloten. Deze tweedeling wordt traditioneel strikt geïnterpreteerd, aangezien afwijkingsmogelijkheden uitzonderingen vormen op het verordenend karakter van ruimtelijke voorschriften.
Daarbovenop geldt dat zelfs binnen de toegelaten categorie alleen afwijkingen mogelijk zijn die daadwerkelijk “beperkt” zijn. Afwijkingen die raken aan de essentiële kenmerken of de algemene strekking van het plan zijn niet toelaatbaar. De beoordeling daarvan gebeurt steeds concreet en contextgebonden, maar de rechtspraak benadrukt consequent dat een restrictieve benadering aangewezen blijft.
Tegen deze achtergrond is het opvallend wanneer de vergunningsrechter afwijkt van zijn eerdere, strikte rechtspraak. In een recente zaak werd geoordeeld dat een voorschrift dat een minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens oplegt, niet noodzakelijk een bestemmingsvoorschrift is, maar kan worden opgevat als een regel over de inplanting van constructies. Doorslaggevend was daarbij de toelichting bij de betrokken bouwverordening, waaruit bleek dat de afstandsregel vooral was ingegeven door de bekommernis om voldoende woonkwaliteit en nuttige oppervlakte te waarborgen.
Door deze benadering werd het mogelijk geacht om, mits motivering, beperkt af te wijken van de voorgeschreven zijtuinstrook. Dat oordeel doorbreekt een eerdere lijn waarin bouwverboden binnen zijtuin-, voor- of achtertuinstroken systematisch werden beschouwd als voorschriften die de bestemming raken en dus niet voor afwijking in aanmerking komen.
Die koerswijziging roept evenwel vragen op. Afstandsregels en bouwverboden zijn in de praktijk nauw met elkaar verweven: een regel die een zone bouwvrij houdt, legt tegelijk vast waar niet mag worden gebouwd. Het onderscheid tussen inplantingsvoorschrift en bestemmingsvoorschrift wordt daardoor diffuus. Bovendien wringt een ruime interpretatie met het uitgangspunt dat afwijkingsbepalingen strikt moeten worden toegepast.
Een alternatieve en meer juridisch coherente benadering had erin kunnen bestaan te vertrekken van het formele “geslacht” van het voorschrift. Stedenbouwkundige voorschriften uit verordeningen worden in het geldende kader immers niet als bestemmingsvoorschriften beschouwd. Vanuit dat perspectief zou een afwijking principieel mogelijk zijn, los van de concrete inhoud van het voorschrift. Die redenering vermijdt dat men via interpretatie van de inhoud alsnog een spanning creëert met de restrictieve aard van de afwijkingsregeling.
Hoe dan ook toont deze rechtspraak aan dat de grenzen van de beperkte afwijkingsmogelijkheid niet volledig vastliggen en dat pragmatische overwegingen soms doorwegen. Dat neemt niet weg dat elke afwijking zorgvuldig moet worden gemotiveerd en dat het vergunningverlenend bestuur er rekening mee moet houden dat het afwijken van bouwverboden al snel als essentieel kan worden beschouwd. De discussie is daarmee allerminst afgesloten, maar de richting waarin zij evolueert, verdient bijzondere aandacht.
Casus: beperkte afwijking van een zijtuinstrook in een verkavelingsvergunning
Een verkavelaar diende een aanvraag in voor een verkavelingsproject in Mechelen waarbij voor één van de loten een zijtuinstrook werd voorzien met een breedte van respectievelijk 2,1 meter en 1,9 meter. Volgens de toepasselijke stedenbouwkundige verordening van de stad Mechelen was voor nieuwbouw in halfopen bebouwing evenwel een minimale zijtuinstrook van 3 meter vereist. Een aanpalende buur verzette zich tegen het project en voerde aan dat de voorziene zijtuinstrook strijdig was met deze verordening.
In de aanvankelijk afgeleverde verkavelingsvergunning werd door het vergunningverlenend bestuur geen melding gemaakt van een afwijking van de stedenbouwkundige verordening, noch werd gemotiveerd waarom een dergelijke afwijking als “beperkt” kon worden beschouwd. De buur stelde hiertegen beroep in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De Raad vernietigde de vergunning wegens een motiveringsgebrek, nu het bestuur had nagelaten te verantwoorden waarom een afwijking van de minimale zijtuinstrook toelaatbaar zou zijn.
Na deze vernietiging leverde het bestuur opnieuw een verkavelingsvergunning af. Ditmaal werd expliciet gemotiveerd dat sprake was van een beperkte afwijking. De buur handhaafde zijn verzet en stelde dat een afwijking van de minimale zijtuinstrook neerkomt op een afwijking van de bestemming van de betrokken zone, wat volgens het geldende kader niet mogelijk is. Hij verwees daarbij naar de bestaande rechtspraak waarin bouwverboden binnen zijtuin-, voortuin- en achtertuinstroken werden aangemerkt als voorschriften die de bestemming raken.
De Raad voor Vergunningsbetwistingen volgde deze redenering niet. In zijn feitenuitspraak onderzocht de Raad de aard en draagwijdte van het betrokken voorschrift en hechtte hij belang aan de toelichting bij de stedenbouwkundige verordening. Daaruit bleek dat de minimale zijtuinstrook was ingegeven door overwegingen inzake woonkwaliteit en voldoende nuttige oppervlakte, en niet door een planologische bestemming in strikte zin. De Raad kwalificeerde het voorschrift daarom als een regel inzake de inplanting van constructies. Bijgevolg kon het, in deze concrete omstandigheden, worden opgenomen in de categorie van voorschriften waarvan beperkt kan worden afgeweken, op voorwaarde dat de afwijking zorgvuldig wordt gemotiveerd.
Hoewel de Raad hiermee afstand nam van zijn eerdere, striktere benadering, werd de bestreden verkavelingsvergunning uiteindelijk toch vernietigd, zij het op grond van een ander middel. De juridische discussie over de toelaatbaarheid van een beperkte afwijking van een zijtuinstrook bleef daardoor zonder definitieve praktische consequenties voor dit concrete project, maar markeert wel een betekenisvolle verschuiving in de interpretatie van het afwijkingsmechanisme.
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
