Art. 2276ter BW, ingevoerd bij wet van 19 februari 1990, voert een specifieke verjaringstermijn in voor deskundigen, naar analogie met advocaten (art. 2276bis BW). De bepaling regelt drie materies: beroepsaansprakelijkheid, bewaring van stukken en betaling van kosten en ereloon.
De deskundige is elke persoon met bijzondere technische of beroepskennis die optreedt om feiten te analyseren of adviezen te geven, zowel in als buiten gerechtelijke procedures.
De verjaringstermijn bedraagt:
-
5 jaar wanneer de opdracht krachtens de wet is opgelegd (bv. gerechtelijke expertise),
-
10 jaar in alle andere gevallen.
De termijn geldt voor zowel contractuele als buitencontractuele aansprakelijkheid en heeft een bevrijdend karakter — de deskundige blijft houder van stukken, zonder eigendomsverkrijging. Bij uitdrukkelijke bewaargeving (zoals bij een sekwester) is de termijn niet van toepassing.
De verjaring begint te lopen vanaf het einde van de opdracht of, bij wettelijke opdrachten, vanaf de neerlegging van het verslag. Ook de ereloonvordering van de deskundige verjaart na vijf of tien jaar, te rekenen vanaf datzelfde moment.
Het Grondwettelijk Hof bevestigde dat deze regeling niet discriminerend is: de kortere termijn is verantwoord door de aard en de beperkte duur van de deskundigenopdracht.
