Niet elke handeling na een overlijden betekent dat een nalatenschap stilzwijgend is aanvaard. Er moet een daad zijn gesteld die werkelijk wijst op de wil om als erfgenaam op te treden, en niet gewoon op het veiligstellen of voorlopig beheren van de situatie.
Daden van bewaring, toezicht en voorlopig beheer houden in beginsel geen aanvaarding in. Dat geldt ook wanneer iemand praktische maatregelen neemt in verband met een lopende huurovereenkomst van de overledene.
Zo kunnen de opzegging van de huurovereenkomst, het veranderen van een slot of de medewerking aan een plaatsbeschrijving in bepaalde omstandigheden worden beschouwd als loutere bewarende handelingen. Zulke daden zijn op zichzelf dus niet voldoende om te besluiten dat de nalatenschap stilzwijgend werd aanvaard.
De grens ligt pas daar waar iemand zich goederen toe-eigent of handelingen stelt die enkel kunnen worden verricht in de hoedanigheid van erfgenaam die de nalatenschap heeft aanvaard.
Praktische betekenis voor de afwikkeling van een huur na overlijden
Bij de afwikkeling van een woninghuurovereenkomst na een overlijden moet ruimte blijven om dringende en nuttige maatregelen te nemen zonder dat men daardoor automatisch de nalatenschap aanvaardt. Het recht erkent dat een zekere mate van optreden onvermijdelijk is. Wie de woning helpt ontruimen, de toestand laat vaststellen, goederen beveiligt of verlies probeert te voorkomen, stelt daarom nog niet noodzakelijk een daad van aanvaarding.
