- Details
- Categorie: Wetgeving
- By Redactieteam-elfri.be
- Hits: 6
Una via Wet
Het algemeen rechtsbeginsel «non bis in idem» heeft dezelfde draagwijdte als de bepalingen van art. 14.7 IVBPR en art. 4.1 van Protocol nr. 7 bij het EVRM:
Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. De rechter mag zich aldus niet beperken tot de controle van de identiteit van de feiten, maar moet ook minstens nagaan of er sprake is van een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn.
Teneinde te bepalen of het beginsel non bis in idem van toepassing is op een maatregel dient dus vast te staan dat de maatregel van strafrechtelijke aard is.
Teneinde te bepalen of het beginsel non bis in idem van toepassing kan zijn, dient vast te staan dat de in het geding zijnde maatregel van strafrechtelijke aard is.
Krachtens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een maatregel een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft, of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft.
Het “in idem”-element slaat niet alleen op identieke feiten maar ook op andere feiten die met de reeds bestrafte feiten een onlosmakelijk geheel vormen, door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp, waarmee bedoeld wordt: “een geheel van concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot eenzelfde verdachte welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn” (vgl. Cass. 17 juni 2014, P.13.1747.N, www.cass.be.). De juridische kwalificatie van de misdrijven speelt geen rol zodat niet vereist is dat de misdrijven ook dezelfde morele of intentionele bestanddelen moeten bevatten vooraleer zou kunnen worden beslist dat het ‘non bis in idem’-beginsel toepassing vindt. Het volstaat dat de feiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar ruimte, tijd en/of voorwerp.
Uitzondering de parallelle procedures
Administratieve sancties met repressief karakter kunnen onder strikte voorwaarden wel naast penale sancties opgelegd wanneer de sancties een verschillende finaliteit nastreven en de administratieve sanctie als een coherent geheel aanvullend werd voorzien op de strafsanctie en waarbij de procedures niet opeenvolgend maar gelijktijdig (parallel) worden ingesteld.
Het ‘non bis in idem’-beginsel betreft een algemeen rechtsbeginsel, ingevolge waarvan een tweede strafrechtelijke berechting (‘bis’) is uitgesloten van dezelfde persoon voor dezelfde feiten (‘in idem’), na een eerste definitieve berechting met een strafrechtelijk karakter. Het algemeen rechtsbeginsel wordt gewaarborgd door de mensenrechtenverdragen met name door artikel 14.7 van het BUPO-Verdrag, artikel 4.1 van het Zevende Aanvullend Protocol bij het EVRM en artikel 50 van het Europees Handvest.
Bij de beoordeling van de identiteit van de feiten (‘idem’) dient, in het licht van de internationale verdragsbepalingen en de rechtspraak van het EHRM, onder meer het arrest van 10 februari 2009 (EHRM 10 februari 2009, nr. 14939/03, Zolotukhin vs. Rusland), niet te worden gekeken naar de toegepaste kwalificaties doch wel naar de onderliggende feiten of de onderliggende materiële gedragingen. De strafbare gedragingen die aan de basis liggen en het voorwerp uitmaken van de kwalificaties, dienen dezelfde of substantieel dezelfde te zijn.
Bij de beoordeling van de identiteit van de feiten is de onlosmakelijke verbondenheid tussen de strafbare materiële gedragingen onderling naar tijdstip en plaats een essentieel criterium.
Er is sprake van dezelfde of substantieel dezelfde feiten wanneer de materiële feiten die achtereenvolgens aan de rechter worden voorgelegd, een geheel van concrete feitelijke omstandigheden vormen, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn door samenhang in tijd, ruimte en voorwerp.
Of er echter in casu sprake is van schending van het beginsel ‘non bis in idem’ dient te worden beoordeeld in het licht van het arrest-A en B v. Noorwegen van het EHRM.
LINKS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
RECHTS
Dit is een voorbeeld van tekst die Elfri zelf beheert :)
Dit is WYSIWYG met uitgebreide mogelijkheden om de teks te formateren
